met een nachtkaars in De Hall of Fame

Bijna net zo leuk als het schrijven van een boek is het na publicatie consumeren van de reacties van lezers en (professionele) recensenten. Het is een aanname, vooral gebaseerd op eigen ervaring, maar ik denk dat elke schrijver reikhalzend uitkijkt naar de reacties op zijn schepping en dagelijks de relevante websites, social media en tijdschriften afspeurt. Wie dat ontkent geloof ik voor geen meter. Als ik een bespreking ontwaar, spel ik deze meerdere malen van voor naar achter. De emoties die ik daarbij ervaar variëren van ongekende blijdschap tot mateloze woede en onpeilbaar verdriet. Ze hebben het wel over je kindje.

De kunst is om je er na die eerste confrontatie niet te veel van aan te trekken. Een review of recensie zegt immers vooral iets over de opsteller ervan, over zijn/haar smaak, verwachtingen en (tijdelijke) gemoedstoestand. Waar overigens niks mis mee is, maar als schrijver heb je er qua professionele feedback weinig aan. Ook omdat de meningen meestal behoorlijk uiteenlopen. Wat moet ik bijvoorbeeld met een opmerking dat het boek ‘als een nachtkaars uitgaat’, waar andere lezers het hebben over een ‘spetterend slotstuk’ en ‘een ontknoping die er emotioneel stevig inhakt’? En wat te denken van ‘had meer spanning verwacht’, waar anderen het verhaal omschrijven als ‘on-Nederlands spannend’ en ‘ijzingwekkend spannend’. Soms lijkt het wel of men het over verschillende boeken heeft.
Maar goed. Zoals Matthijs van Nieuwkerk in de TOP 2000 a gogo quiz altijd opmerkt dat met de jury niet wordt gecorrespondeerd, zo is het voor een schrijver not done om op kritieken te reageren. Ik moet toegeven dat mijn handen soms jeuken bij een volgens mij onterechte reprimande jegens het kindje waar ik me een jaar voor uit de naad heb gewerkt, maar gelukkig heb ik me tot nu toe altijd kunnen inhouden. Ieder zijn mening, en even goede vrienden.

Wel kunnen reviews en recensies het succes van je boek beïnvloeden, in positieve dan wel negatieve zin. Gelukkig zijn de reacties op mijn laatste boek, de thriller Koud zonder jou, tot nu toe positief, al weet je natuurlijk nooit wat er allemaal nog komt. De recensent van Vrouwenthrillers waardeert het boek met maar liefst 5 sterren, de lezers geven een ook niet slecht gemiddelde van 3,67. Bij Hebban is het omgekeerd: de recensent komt met een matige 3 sterren, terwijl het lezersoordeel gemiddeld 4,16 bedraagt. Dat komt in de buurt van het bol-gemiddelde van 4,2. Verder geven Thrillers & More, Perfecte Buren en Goodreads elk 4 sterren. ThrillZone spant de kroon met een score van 4,67 sterren en een leesclub-rapportcijfer van 8,95, waarmee Koud zonder jou op de 8e plaats eindigt van alle 148 in de ThrillZone-leesclubs besproken boeken. Daarmee ben ik meteen ook toegetreden tot de Hall of Fame.

Mij hoor je dus vooralsnog niet klagen. Al blijft die ‘nachtkaars’ toch wel irritant door mijn hoofd spoken.

Thrillzone HALL of FAME >

Nothing lasts forever

Ja, daar is-tie dan, beste mensen, mijn nieuwe thriller. Dit is het derde en laatste deel van de zogeheten Bianca-trilogie (van mijn uitgever moet ik steeds benadrukken dat de delen ook prima afzonderlijk zijn te lezen, dus hierbij). Met Koud zonder jou nemen we afscheid van rechercheur Bianca van Dijk en haar perikelen. Ik zal haar nog missen, maar hé, ‘nothing lasts forever’, zoals de Engelsen dat zo mooi zeggen. En nu? Nu ga ik eerst genieten van alle mooie recensies (en die ene voorspelbare zure) en van de miljoenen die binnen gaan stromen.

En daarna? Misschien ga ik die verhalenbundel eindelijk eens afmaken, en ergens voel ik vrij sterk een nieuwe roman opkomen. Genoeg te doen kortom. En de thrillers dan? Tja, het was een leuk avontuur in het thrillergenre, met vele blije lezers en zelfs twee (straks drie?) nominaties voor de Gouden Strop. Maar een mens moet verder, of ‘you gotta move on’, zoals de Amerikanen dat zeggen. Stilstand is achterstand en je kan het feestje het beste op het hoogtepunt verlaten. Dus, beste mensen, ik zeg niet dat ik nooit meer een thriller ga schrijven, maar zoals het er nu naar uitziet voorlopig even geen moorden en psychopaten meer voor mij (en voor u).

Hierbij kun je je natuurlijk afvragen wat een thriller nu eigenlijk precies is. Een van de beste boeken die ik ooit gelezen heb is The collector van John Fowles. Daarin ontvoert een man een vrouw en sluit haar op in zijn huis, met de bedoeling haar liefde te winnen. Het is een psychologische roman, hoogstaande literatuur, maar tegelijkertijd ook een spannende thriller, dus… Is het uiteindelijk niet zo dat elk boek een bepaalde spanning moet hebben, een pageturner moet zijn? In die zin zal ik, wat ik ook ga doen, altijd wel een beetje in het genre blijven hangen. Dit als troostrijke gedachte tot slot.

En, ik zou het bijna vergeten: heel veel plezier toegewenst met Koud zonder jou. Is nu overal te koop, of had ik dat al gezegd?

‘Migratie is het wezen van de mens’

“Het probleem is de grote hoeveelheid economische vluchtelingen, die neerbuigend gelukszoekers worden genoemd,” laat Ilja Leonard Pfeijffer een personage in zijn magistrale Grand Hotel Europa zeggen. Waarop de ‘breekbare man op leeftijd’ Patelski zegt: “Ik zou niet weten waarom vluchten uit armoede niet telt. Armoede is net zo dodelijk als oorlog.” En verderop: “Omdat wij allemaal migranten zijn en niemand van ons kan bogen op een voorgeslacht dat is ontsproten aan de kluiten aarde waarop wij staan, is er geen argument op grond warvan wij anderen het recht op migratie kunnen ontzeggen.”
Zo is het maar het. Wie migratie, of het nu oorlogsvluchtelingen of ‘gelukszoekers’ betreft, wil tegenhouden, ontkent de geschiedenis van de mens in het algemeen en dat van hemzelf in het bijzonder. En meer persoonlijk ontkent hij mijn geschiedenis, die uit één en al migratie bestaat.

Mijn opa werd geboren in 1900 in een gehucht in wat tegenwoordig Slovenië heet, maar toen onderdeel was van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie. Als jongeman van ergens in de twintig (en inmiddels inwoner van het na WOI gevormde Koninklijk Joegoslavië) vernam hij dat er in Noordwest Europa volop werk was in de kolenmijnen. Goed betaald werk, met goede voorzieningen. Dat klonk aanlokkelijker dan een bestaan als (keuter)boer, waartoe hij gedoemd was als oudste zoon die de boerderij van zijn vader zou overnemen. Dus stapte hij op de trein naar het noorden en kwam na wat omzwervingen in het Zuid-Limburgse Nieuwenhagen terecht. Niet lang daarna liet hij zijn vrouw overkomen, ze kregen vijf kinderen, en een daarvan was mijn vader. Als ik de verhalen van mijn vader mag geloven had het gezin het er goed, integreerde probleemloos en kwam zonder kleerscheuren de oorlog door.

Mijn opa was ‘Met de buik het brood achterna’ gegaan, zoals de titel luidt van het boek van Milena Mulders over de geschiedenis van de Slovenen in Limburg (in 1930 waren het er 1155, naast duizenden Polen, Joegoslaven, Duitsers, en later Italianen en Marokkanen). De titel is de letterlijke vertaling van een Sloveens gezegde, dat zoveel betekent als: daar naartoe gaan waar werk en dus brood op de plank is. Tegenwoordig zou mijn opa een economische vluchteling of gelukszoeker heten, termen die aangeven hoezeer het denken over migratie is gekanteld: immigranten komen niet iets brengen, nee, ze komen iets halen, het zijn profiteurs. Maar mijn opa was geen profiteur. Onder zware omstandigheden haalde hij het zwarte goud naar boven waarmee de industriële revolutie werd gevoed. Daarmee leverde hij een onmisbare bijdrage aan de Nederlandse economie en aan onze huidige welvaart. We mogen hem dankbaar zijn.
Een broer van mijn opa kwam in Wallonië terecht. Noch hij, noch zijn twee zonen werden oud. Volgens mijn vader vanwege de ongezonde omstandigheden in de (chemische) fabrieken waarin ze werkten. Als het waar is, dan is de vraag gerechtvaardigd wie hier van wie profiteerde.

In 1945 had Joegoslavië zich zelfstandig, zonder noemenswaardige hulp van de geallieerden, van de nazi’s bevrijd. Tegen een hoge prijs: de bevolking was gedecimeerd. Om het land op te bouwen riep het inmiddels communistische regime expats op om terug te keren en te helpen het vaderland op te bouwen. Woning en werk gegarandeerd. Omdat mijn opa zichzelf niet tot zijn pensioen met piepende stoflongen in de mijnen zag zwoegen, keerde hij met het hele gezin terug. Inderdaad kreeg hij al snel een flat in Ljubljana en een baan in een textielfabriek. Ook nu weer was hij dus uit economische motieven geëmigreerd, was hij met zijn buik het brood achterna gegaan.

Zijn vijf kinderen waren in Nieuwenhagen opgegroeid en bevonden zich nu opeens in een voor hen vreemd land, de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië. De jongste zoon was de eerste die vertrok. Zonder enige bergervaring trok hij over de Alpen, overleefde dat en kwam in Wallonië terecht. Daar stichtte hij een gezin, dat nu de Belgische tak van mijn familie vormt. Een van zijn kinderen bestiert een verpleeghuis, de ander is journalist bij de RTBF.
De volgende die vertrok was de jongste dochter van mijn opa. Met gevaar voor eigen leven klom zij met haar Kroatische man over een hek bij de grensovergang van Jesenice en kwam in Utrecht terecht. Ze kregen asiel en vonden werk in een assemblage- en een soepfabriek. Hun enigste zoon werkt bij een grote Nederlandse bank.
In 1968 vertrok ook mijn vader, met zijn Joegoslavische (Sloveense) vrouw en dito kinderen, waaronder ondergetekende. Het was toen al mogelijk om een visum te krijgen, mits je een baan had gevonden in het buitenland. Die had zijn eerder gevluchte zus in Utrecht voor hem geregeld. Het waren de jaren van de gastarbeiders, welkome arbeidskrachten. De eigenaar van het bedrijf dat vrachtwagenmotoren reviseerde was bereid een half jaar op mijn vader, die hij nog nooit had gezien, te wachten. Dat waren nog eens tijden.

We hadden geen honger in Joegoslavië. Maar mijn vader wist dat het leven in Nederland beter was. En dus ging hij, naar waar het brood beter en overvloediger was. En zo kwam ik als bijna 12-jarige in Nederland terecht, achter mijn vaders buik aan. Net als mijn geëmigreerde opa, zijn broer, oma, ooms, tantes en hun kinderen, kan ook ik mijzelf niet echt een profiteur noemen, op een paar jaar uitkering na tijdens de economische crisis begin jaren tachtig, wat mij hopelijk is vergeven. In 1976 kregen mijn ouders van ‘Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden’ het bericht dat hen het Nederlanderschap was verleend, waarmee ik als minderjarige ook automatisch Nederlander werd. Na de middelbare school kwam ik in de schrijvende journalistiek terecht, waarin ik mijn hele leven werk. De laatste jaren ben ik werkzaam op de communicatieafdeling van de Koninklijke VNCI, de branchevereniging van de Nederlandse chemische industrie. Daarmee lever ik een bijdrage aan een van de grootste en belangrijkste industrieën van Nederland, net zoals mijn opa dat ooit heeft gedaan, alleen hij onder de grond en ik achter een bureau.

Dit verhaal, dat in werkelijkheid nog veel uitgebreider is dan hier geschetst, is maar een van de vele migratieverhalen die in Nederland voor het oprapen liggen. Bel bij een willekeurig huis aan, en je krijgt ze te horen. Niemand kan bogen op een voorgeslacht dat is ontsproten aan de kluit aarde waarop hij staat. Wie migratie als een kwaad ziet, is bang voor zijn eigen land, en voor zichzelf. “Sinds we op twee benen kunnen staan zijn we gaan lopen,” zegt Patelski in Grand Hotel Europa. “Migratie is het wezen van de mens.”
Het zou volgens hem veel beter zijn om migranten niet als een bedreiging maar als een kans te zien. “Als immigranten blijven komen, is het nuttiger om zo snel mogelijk te beginnen na te denken over de vraag hoe wij die stromen kunnen kanaliseren en op zo’n manier inzetten dat zij ons tot voordeel zijn.”
Met de huidige personeelskrapte in de bouw, de procesindustrie, de zorg, de horeca en noem maar op lijkt mij dat geen enkel probleem.

Selfies nemen bijbelse proporties aan

Mensen die voortdurend foto’s van zichzelf maken. Op vakantie in Portugal werd ik er op elke straathoek weer mee geconfronteerd. Ben ik de enige die zich hierover verbaast? Is het een generatieding? Gelukkig sta ik niet alleen. Ook Hendrik, de hoofdpersoon in De uitverkorene, slaat de verselfisering van de wereld met verbazing gade:

‘Terwijl Cas en Dorien gezeten op een grote steen vlak bij de ijscokar genieten van hun ijsje, observeert Hendrik een aantal meisjes die verderop hun hoofden dicht bij elkaar hebben gebracht en nu in koor ‘cheeeese’ roepen tegen de smartphone aan het uiteinde van de selfiestick. Gniffelend bekijken ze de foto. Kennelijk voldoet die niet aan hun verwachtingen, want het ritueel herhaalt zich. Een van de meisjes pakt vervolgens de telefoon en begint met haar duimen druk te typen. Hendrik weet wat ze aan het doen is. Over enkele seconden weet de wereld via Twitter, Facebook en Instagram waar de achterhoofden van de meisjes zojuist naar hebben gekeken: een tijger die luiert in de zon.
Wat een zelfverheerlijking, al die selfies! Het liefst had Hendrik de telefoon uit hun handen gerukt en de meisjes hardhandig omgedraaid, met hun gezichten naar de tralies. Kijk naar die tijger! Dit is een die-ren-tuin, hier kom je naar dieren kijken! Naar jezelf kijken doe je ’s ochtends in de badkamer!
De meisjes zijn niet de enige bezoekers die meer aandacht hebben voor zichzelf dan voor de dieren. De selfiemanie is overal en is ook doorgedrongen tot de wat oudere bezoekers. Het is niet de eerste keer dat Hendrik dit signaleert, wel dringt voor het eerst de ware betekenis van deze buitensporige zelfbewondering tot hem door. Het is de finale van het ik-tijdperk, waarin iedereen voortdurend alleen nog maar met zichzelf bezig is. Het individu is definitief op het hoogste podium gehesen, het ego staat vol in de spotlights, etaleert de opgeleukte versie voortdurend aan de wereld. Het is niet: kijk eens wat een mooie tijger, maar: kijk mij eens supergezellig in de dierentuin zijn. De vakantiefoto is gedegradeerd tot een zelfportret. De achtergrond wisselt weliswaar, maar het onderwerp is steeds hetzelfde: IK.
Wat een verwaandheid! Wat een hoogmoed! Wat een misplaatste trots! Hendrik weet dat hier weinig goeds van kan komen. Hoogmoed – superbia – is de grootste van de zeven hoofdzonden. Trots komt vóór de ondergang, en hoogmoed komt vóór de val, waarschuwt Spreuken 16:18 niet voor niets. De doorgeschoten zelfverheerlijking kan niets anders betekenen dan dat het einde der tijden nabij is en dat de wereld zich nu bevindt in ‘De ontaarding in de laatste dagen’, waarover Paulus profeteert in 2 Timotheüs 3: En weet dat in de laatste dagen zware tijden zullen aanbreken, want de mensen zullen liefhebbers zijn van zichzelf, hoogmoedig, verwaand.
Het lijdt geen twijfel dat Armageddon, de eindtijd die uitmondt in de wederkomst van Jezus Christus en het Laatste Oordeel, aanstaande is.’

Prijzen, er valt zoveel meer mee te doen

Afgelopen januari leverde ik de laatste correcties in bij mijn uitgever, en in februari lag mijn debuutthriller De blindganger In de winkel. Supertrots was ik, maar ik temperde tegelijkertijd mijn verwachtingen. Elke maand verschijnt er een berg aan thrillers, en het valt niet mee om daarin op te vallen. Verreweg de meeste verdwijnen in het niets, slechts een enkeling heeft geluk. Tot mijn stomme verbazing werd ik genomineerd voor de Gouden Strop, zeg maar de Oscars van de Nederlandstalige thrillers. Ik had, volgens de jury, één van de twaalf beste thrillers van het afgelopen jaar geschreven. En dat als debutant. Ik kon mijn geluk niet op. Even later kwam ik ook nog op de longlist van de Hebban Thriller Debuutprijs. Zou het dan toch gaan gebeuren? Het viel niet mee om mijn verwachtingen te blijven temperen.

Enkele dagen na de bekendmaking van de longlist van de Gouden Strop toog ik vol verwachting naar de plaatselijke boekhandel en ging op zoek naar de tafel met de twaalf stapels en daarboven een bord met de tekst ‘De 12 beste thrillers van eigen bodem’, of: ‘Nog geen vakantieboek? Kies hier uit de 12 beste pageturners’. Ik vond die tafel niet. De twaalf boeken bleken nog gewoon onzichtbaar tussen alle andere thrillers te liggen, alsof er niets was gebeurd. Ook waren ze niet voorzien van een stickertje of iets dergelijks. Teleugesteld droop ik af. Een telefoontje naar mijn uitgever leerde dat de boekhandels hier nu eenmaal niks mee doen.
Helaas haalde De blindganger niet de shortlist van vijf boeken van de Gouden Strop. Toch kon ik het niet nalaten om daarna bij mijn vaste boekenzaak even te gaan kijken hoe mijn vijf concullega’s erbij lagen. Net als de afgelopen maanden, zag ik. Nog steeds geen aparte tafel, geen stickers, niks. De boekhandel was er toch om geld te verdienen met verkoop van boeken? Waarom deden ze dat dan niet?

Begin juni zou in een live-uitzending van RTL Late Night de bekendmaking van de winnaar plaatsvinden. Stiekem hoopte ik op een uitnodiging, ik had immers op de longlist gestaan. Of ze mee mocht, vroeg mijn vrouw. Maar de uitnodiging kwam niet. Noem me naïef, maar ik had ook verwacht dat tijdens de uitzending aandacht zou worden besteed aan alle twaalf boeken op de longlist. Maar ze werden niet vermeld, kwamen niet in beeld, helemaal niets. De vijf boeken op de shortlist werden wel even genoemd en getoond, maar de schrijvers kregen geen kans er iets over te vertellen. Ze mochten niet eens bij Umberto Tan aan tafel zitten. Tan stelde de winnaar één irrelevante vraag (waarom hij een ander pseudoniem had gekozen), de man antwoordde, mocht daarna heel kort vertellen waar het boek over ging, en dat was het. Marieke! En dan te bedenken dat de CPNB (Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, de initiator van de Gouden Strop) voor deze beschamende vertoning (veel?) geld op tafel had gelegd.

Heeft de winnaar iets gehad aan deze ‘Oscars’? Ik hoop het van harte voor hem. De overige deelnemers zijn er qua (verkoop)succes vrees ik weinig mee opgeschoten. Alleen hun ego is even gekieteld. En dat is zonde. Want er valt zoveel meer mee te doen.