Meegedaan aan de Harland Prijs 2025. Niet in de prijzen gevallen, maar wel leuk jurycommentaar gekregen:
‘Erg origineel verhaal, goed geschreven en het bleef mij boeien. Goede, beeldende typeringen gebruikt.’
‘Een origineel, kort maar krachtig, humoristisch en goed geschreven verhaal. Een sprookje met horror trekken. Lekker verhaal!’
‘Vermakelijke vertelling vanuit het perspectief van een vis. Door de vele natuurgetrouwe details werd er een heel levendig en geloofwaardig beeld geschept van het leven in de bergbeek. Ook zat er gevoel voor humor in de beschrijvingen.’
Het verhaal:
Goede vangst
Deze bergbeek is mijn thuis. Ik ben er geboren, en inmiddels zwemmen er ook heel wat nakomelingen rond in dit water, dat in deze moderne tijden nog steeds zo zuiver is dat de mensen het gerust kunnen drinken, al doen ze dat nooit. In de loop der jaren heb ik hier heel wat gezien en meegemaakt. Ontelbare figuren heb ik langs de oevers zien paraderen. En de ervaring leert dat je ze globaal in twee groepen kunt verdelen.
De eerste groep bestaat veelal uit brave huisvaders die hun diep gevoelde verlies aan mannelijkheid trachten te compenseren door zich de allerduurste werphengel met allerlei overbodige toebehoren te laten aansmeren, zoals een bont arsenaal aan blinkers, spinners en ander onzinnig kunstaas. Ook spenderen ze een heel maandsalaris aan bergschoenen volgens het laatste Italiaanse design, een survival-safarijack met allemaal volstrekt overbodige vakjes en ritsen en een jachtmes met ergonomisch handvat, inclusief ingebouwd kompas. ‘Je hoeft geen boodschappen te doen schat, we eten vanavond forel,’ drukken ze hun vrouw op het hart als ze met hun duurbetaalde visvergunning op zak de glamping hier iets verderop verlaten, in alle vroegte, want ze hebben ergens gelezen dat vissen juist dan bijten. Voor eventjes wanen ze zich de oer-man die gewapend met pijl en boog onverschrokken de gevaren van de ruige wildernis trotseert om eten te schieten voor zijn gezin, dat zonder hem overgeleverd zou zijn aan de gretige klauwen van de voortdurend op de loer liggende hongerdood.
Na eerst wat geklauter langs de rotsen omhoog, dalen ze met steeds sneller bonkend hart af naar het dal met de ruisende beek. Waar hen vervolgens alleen maar teleurstelling wacht. De beloofde superverse maaltijd blijkt achteraf altijd grootspraak te zijn geweest, want ze keren onverrichterzake terug, zonder buit, hooguit een schlemielig kopvoorntje vol graten. In de oertijd waren hun kinderen allang van de honger gecrepeerd. Waarom? Omdat deze stadsmannen iets missen wat nergens te koop is: instinct. Van deze groep heb je als vis dus weinig te vrezen.
Waar je wel bang voor moet zijn is het sober uitgedoste, veelal lokale type dat de boel komt verzieken met niet meer dan een goedkoop hengeltje met een simpel molentje en verder geen toeters en bellen – lijn en haakje, meer heeft hij niet nodig. En hij doet het meestal ook nog clandestien, want zonder vergunning. Kort geleden liep er zo eentje hier rond. Geen idee waar de mafkees vandaan kwam, in ieder geval niet van de camping. Maar hij verstond zijn vak. Voor hij zijn visspullen in gereedheid bracht ging hij eerst op zoek naar onze zwakke plek. Dat deed hij door goed de plaatselijke insectenpopulatie te bestuderen. Al snel ontdekte hij dat het in de weilanden langs de beek wemelt van de sprinkhanen, en dat die dus logischerwijs een substantieel onderdeel van ons menu vormen. En dus ging hij als aas verse, levende sprinkhanen gebruiken (wat overigens per wet verboden is). Kwestie van je goed verplaatsen in je prooi danwel vijand.
Hij begon zijn dag altijd met het vangen van een aantal sprinkhanen, wat niet makkelijk is. De insecten kunnen namelijk ongelooflijk ver wegspringen, bovendien zijn ze door hun grasgroene kleur heel moeilijk te spotten. Maar ook dit kunstje beheerste hij. Hij ging als volgt te werk. Hij schuifelde door het gras, zijn blik verdacht op wegspringende sprinkhanen. Als hij er eentje zag wegspringen, hield hij scherp in de gaten waar die zou landen. Ondertussen liep hij snel die richting uit. Dit is uiterst belangrijk, want je moet de sprinkhaan pakken precies op het moment dat hij landt. Een sprinkhaan heeft na de landing namelijk een fractie van een seconde nodig om zich te heroriënteren. Hij kan niet zomaar op de bonnefooi weer wegspringen, want dan knalt hij misschien ergens tegenaan of hij vliegt regelrecht in de handen van zijn achtervolger. Dus wat doet hij? Hij bepaalt een nieuwe springrichting en berekent de kracht waarmee hij zich moet afzetten, en tegelijkertijd zoekt hij met zijn grote achterpoten een stevige ondergrond voor de lancering. Dit alles kost tijd, en dat nu is zijn zwakke plek, wat die mafkees goed had begrepen. Precies in die ene fatale fractie van een seconde, vlak na de landing, werd de sprinkhaan door hem met een razendsnelle uithaal van de arm en een nog snellere sluiting van de hand gegrepen.
Het slimme was dat hij dit alles consequent buiten ons gezichtsveld deed, dus op geruime afstand van de beek. Hij wist namelijk dat als een forel, die over een paar arendsogen beschikt, je gezien heeft, diens overlevingsmechanisme direct alarmfase 1 afkondigt: vijand in de buurt, uitkijken voor valstrikken, of nog beter: maken dat je wegkomt. Hoe ik desondanks zo veel over hem weet? Ingefluisterd door een nakomeling die hem tijdens een zeldzaam moment van onoplettendheid had betrapt tijdens de sprinkhanenjacht.
Nu zijn die brave huisvaders ook bekend met ons superieure gezichtsvermogen. Om visueel contact te vermijden werpen ze het aas daarom van veraf naar de plek waar ze een forel vermoeden of laten het met de stroom meedrijven naar die plek. Dit voordeel wordt echter weer geheel tenietgedaan door hun lompe gestamp en – als ze met meer zijn – luide geouwehoer. Vaak dragen ze ook nog kleding in kleuren die in deze omgeving detoneren, zoals oranje en indigo. Gevolg is dat ze door de forel altijd al van verre worden gespot, met als gevolg alarmfase 1.
Deze indringer pakte het heel anders aan. Hij wilde juist wel oog in oog staan met zijn prooi, ondanks alle risico’s (want het is een natuurwet dat zodra een visser een forel heeft gespot je er donder op kan zeggen dat de forel hem al lang daarvoor in het vizier heeft gekregen). Hij kon dat doen doordat hij de kunst van de totale onzichtbaarheid beheerste. Hij was een meester in het ongezien besluipen. Daardoor belandde de ene na de andere forel in zijn schepnet. We hadden zoiets nog nooit meegemaakt. Hij wist maar niet van ophouden. Als hij niet snel weer vertrok, of gestopt werd, zou hij de hele beek leegtrekken.
De haak ging bij het uiterste puntje van het achterlijf erin, doorboorde daarna het lijf en kwam bij het spleetje tussen kop en lijf er weer uit, een klein beetje maar. Zo was de haak onzichtbaar voor de forel en konden de poten vrijelijk spartelen, om zo de vis te verleiden.
Als hij de sprinkhaan aan de haak had geregen, liep hij ineengedoken naar de beek. Er zijn een paar plekken waar wij ons graag ophouden, en dat wist hij: onder een over het water hangende tak (waarvandaan insecten in het water kunnen vallen), een stroomversnelling (we zijn dol op zuurstofrijk water) en onder een moeilijk bereikbare (dus veilige) plek. Hoe dichter hij het water naderde, hoe kleiner hij zich maakte. Op zo’n vijftien meter van de oever knielde hij in het gras en sloop dan op zijn knieën of op zijn buik verder, afhankelijk van de hoogte van de eventuele begroeiing. Als hij, spiedend tussen de openingen in het groen, een plek ontwaarde waar de waterspiegel glad was en het aas mooi zou blijven drijven, sloop hij nog dichterbij. Dat het aas bleef drijven was geen voorwaarde voor het slagen van de jacht. Het was voor de mafkees een puur esthetisch kwestie. Hij wilde zien hoe de forel de sprinkhaan greep. Dat was zijn zieke kick.
Nu ligt een forel meestal tegen de bodem aan en is hij door de camouflagekleuren op zijn rug zo goed als onzichtbaar. Maar heel soms, als we ons volkomen veilig wanen, hangen we vlak onder de waterspiegel, te wachten op wat er zoal aan eetbaars voorbij komt drijven. En hier hoopte hij dus iedere keer op. Op zijn buik liggend en tussen de gras- en andere sprieten door turend bracht hij dan de hengel heel langzaam omhoog, ontgrendelde zachtjes de spoel en klemde zijn wijsvinger om de vrijgekomen lijn. Met vaste hand gaf hij een zwiep naar achteren, voelde hoe de lijn zich tegen zijn vinger spande, dan een zwiep naar voren, vinger weghalen, en daar suisde het aas door de lucht. De forel, die nog steeds nietsvermoedend daar in het water hing, was kansloos. De sprinkhaan raakte het wateroppervlak twee meter voor de forel, die flitste op dat moment al door het water en greep met onfeilbare precisie de sprinkhaan, nog voor die kringetjes op het water had kunnen veroorzaken. De forel schoot daarbij door de snelheid iets uit het water en verdween daarna in een draaikolk. Door de lichte weerstand van de lijn voelde het slachtoffer direct dat er iets niet klopte en dat het einde mogelijk nabij was. Maar toen was het meestal al te laat. De klootzak, die snel rechtop was gaan staan, blokkeerde de molenspoel, de lijn spande zich, hij gaf er een ruk aan om de haak te zetten, de top van de hengel trok krom, en even later lag je dan in zijn schepnet, met als eindbestemming de barbecue.
Mijzelf overkwam dit laatst ook, althans ik greep nietsvermoedend de sprinkhaan. Maar de haak was of bot of werd niet goed gezet. Als oude rot die al vaker aan de barbecue was ontsnapt wist ik hoe ik me kon bevrijden: door me al spartelend als een gek in allerlei bochten te wringen. Nu is het genoeg, besloot ik toen. Straks is er van ons niks meer over. Dit moest stoppen.
Nu leeft er in deze beek ook een beest van een snoek. Een zeer nuttige metgezel, die alles wat ziek, zwak en misselijk is netjes opruimt, en af en toe ook een kikker of eendje verschalkt, maar dat zij hem vergeven. We spraken af dat hij de komende dagen elke sprinkhaan die in het water viel zou grijpen. De tweede dag was het al raak: hij pakte een sprinkhaan van de mafkees. En waar we op gehoopt hadden gebeurde: de mafkees liet maar niet los, en gleed daardoor langs de glibberige oever onze onderwaterwereld in, waar de snoek zijn vlijmscherpe tanden in hem zette en hem net zo lang onder water hield – ik keek van een afstandje toe – tot het laatste luchtbelletje uit zijn mond dwarrelde en zijn ledematen slap langs zijn dode lichaam hingen.
Die avond krioelde het hier van de mensen. Hij werd gevonden half onder een verdronken boomtak, waar de stroom hem tegenaan had gedrukt. De weken daarna lieten de glampingmannen zich niet meer zien, maar de laatste tijd spotten we hier langs de oever af en toe weer zo’n lachwekkende safarioutfit. Maar we hebben, zoals gezegd, van deze types niets te vrezen, want ze hebben geen idee wat ze aan het doen zijn. De rust is hier dus wat dat betreft weer volledig wedergekeerd. En mocht er ooit toch weer zo’n mafkees opduiken langs de beek, dan weten we wat ons te doen staat.



